Luscircuit 1
Wandelpaal n°04:  Sparrenbos en beukenbos.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

De gevleugelde gastheren.


                                  Photos (1 et 2): Ph. Pulce

1. De glanskopmees Parus palustris: altijd in de weer maar steeds afzijdig van andere mezen, toch heeft ook deze mees een duidelijke voorkeur voor loofbomen.
2. De matkopmees Parus montanus: de tweeling van de glanskopmees, behalve met een iets grotere zwarte “das”, met een lichte vlek op de vleugel en een matzwarte kop. Het is een zachtaardige, weinig twistzieke vogel die meer te vinden is in naaldboombossen.
3. De pimpelmees Parus caeruleus: klein, levendig en snel, deze vogel hangt aan de kleinste twijgjes. Deze eerste twee soorten zijn vaste bezoekers van de voederbakjes in onze tuinen en leven bij voorkeur in loofbomen.
4. De kuifmees Parus cristatus: vervult van het prestige dat zijn kuif hem verleent, verdedigt deze mees hardnekkig zijn territorium. Hij woont in oude dennenbossen, tussen het mos en het korstmos. Wat zeker niet wil zeggen dat hij nooit in de tuin te zien is. Op voorwaarde dat u een harsachtige boom hebt. De natuurlijke leefomgeving van deze mees is immers gebonden aan harsachtige bomen.
5. De koolmees Parus major: het mannetje heeft een brede zwarte “das” die breder wordt op de buik.
6. De zwarte mees Parus ater: heel sociaal en niet al te schuw, geregeld is deze mees te zien terwijl ze handig een boomstam opklimt als een boomkruiper. Deze mees leeft bij voorkeur in dennenbossen maar heeft geen bezwaar tegen gemengde bossen.

 

 

 

De Beuk Fagus sylvatica: is een boom met afvallende bladeren en verliest zijn bladeren elk jaar in de herfst.
De bladeren zijn zodanig opgesteld dat de bladschijven elkaar haast niet overlappen. Zo vormt de beuk een volledige afscherming om een maximum aan licht op te vangen.

 

De zilverspar Picea abies is een boom met altijd groene bladeren. Wat niet wil zeggen dat hij zijn naalden niet verliest.
Ze blijven wel enkele jaren aan de boom, die dus altijd een paar generaties groene naalden op zijn takken draagt.

 

Deze twee boomsoorten vormen een scherm dat geen zonlicht doorlaat. Bovendien bevat het dood organisch materiaal dat de bodem bedekt, in een dergelijk zuur milieu als hier, haast geen ontbindingsorganismen. Het stapelt zich dus op tot een dikke laag. Deze twee factoren zorgen ervoor dat er zich geen kruidlaag kan ontwikkelen, behalve op wijdopen plekken.

 

Ga door in noordelijke richting. De volgende wandelpaal bevindt zich aan de uitgang van het dennenbos, in een mooi beukenbos dat de weg omzoomt en dat deel uitmaakt van het Natura 2000 netwerk.

Het bos en zijn inwoners

De bosmuis (Apodemus sylvestris) is een klein zoogdiertje uit de orde van de knaagdieren. In tegenstelling tot de veldmuis heeft de bosmuis grote oren en grote ogen, groter dan de andere muizen waardoor men ze gemakkelijk herkent.

 

 

De bosmuis heeft sterk ontwikkelde achterpoten en beweegt al springend, met de staart omhoog, waar hij de naam springmuis aan te danken heeft. Hij kan in bomen klimmen maar leeft vooral op de grond. Deze muis heeft een zeer gevarieerd dieet: beukennootjes, granen, eikels en hazelnoten vormen het hoofdgerecht en worden aangevuld met paddestoelen, insecten, wormen en slakken.

 

Gewoonlijk leeft de bosmuis ’s nachts of bij schemerlicht, toch merkt men ze in de lente ook overdag op, vooral als ze hun kleintjes opvoeden. Deze zijn naakt en blind, ze wegen 1gr bij de geboorte. Als ze een paar dagen oud zijn, klampen ze zich vast aan de spenen van hun moeder, zo hard zelf dat zij ze zo meesleurt als ze moet vluchten, niet altijd zonder schade trouwens.
Na de geboorte wordt het vrouwtje agressief tegen de mannelijke muis. Zij bijt hem zonder genade en weerhoudt hem ervan bij het nest te komen. Het aantal drachten ligt tussen één en drie à vier per jaar, het aantal kleintjes per dracht tussen drie en negen, afhankelijk van de beschikbare hoeveelheid voeding.

 

  

De bosmuisbevolking neemt af en aan van jaar tot jaar, ook in functie van de beschikbare voeding. De bevolkingsaantallen van de nachtroofvogels en roofdieren, samen hun grootste vijanden, volgen hetzelfde schema met een jaar vertraging.

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >