Luscircuit 3
Wandelpaal n°04:  de evolutie van het landschap.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

Natura 2000 in de loop der tijd.

Als de grond kaal staat, omdat de landbouw en veeteelt op basis van brandcultuur werd stopgezet, dan wordt deze snel door de planten heroverd.

Als eerste vestigt zich de droge heide, met haar gevolg van weinig gulzige planten: eerst de bosbessen, dan ook de bochtige smele, vervolgens de struikheide en ten slotte de rijbessen en de gewone blauwe bosbessen.

Na de heide zijn het de bospioniers die wortel schieten: de gewone brem, gevolgd door de zilverberk. Twee houtachtige soorten die de bodem kunnen verrijken, voornamelijk met stikstof. Daarna komt de lijsterbes. De bosaanplantingen nemen in aantal toe terwijl de heide terrein verliest.

 

                             

 

Uiteindelijk vermengt de zomereik zich ook met de andere bosplanten en kan het bos opnieuw zegevieren.

 

Vlak voor we het pad naar de schietbaan verlaten, moet u goed kijken naar de kant van de weg, ten noorden: paardenstaart, lisdodde, kale jonker… Een prachtig voorbeeld van een vochtige zone en de gevarieerde plantengroei die men er kan vinden.

Natura 2000 in de loop der tijd.

Elk stadium, elk landschap is een leefomgeving die opgenomen kan worden in Natura 2000. Het betreft telkens verschillende diersoorten.

 

Zo zijn de venen de typische leefomgeving van de nachtzwaluw en van de graspieper. Hier vindt men ook het bloemenblauwtje of de grote nachtpauwoog. Verder leeft hier de ringslang, die tot 1,5 m lang kan worden en volledig onschadelijk is, of de oeverspin, de grootste spin in België.

 

 

 

In de eerste fase van de herbebossing verschijnen er ook diersoorten zoals de tuinfluiter, de grauwe klauwier of schatekster. Zij hebben bomen nodig als uitkijkpost. Het groot dikkopje en het oranjetipje komen hier ook honing verzamelen.
Het is een overgangsomgeving waar men zowel diersoorten van de venen vindt als soorten uit het bos.

 

  

Door de uitbreiding van het eikenbos, trekken de venendiersoorten weg maar ontstaat er een omgeving die zeer geschikt is voor vogels, zoals de boomkruiper of de kortsnavelboomkruiper, de boomklever, de fluiter, de zwarte specht, de grote bonte specht of de kleine bonte specht. De eikenpage en ook het citroenvlindertje vrolijken het onderhout op. Men vindt hier meer zoogdieren dan op de venen: reeën, everzwijnen of kleinere soorten zoals de hazelmuis en de vleermuizen. U kunt hier soms ook de hazelworm (of blindslang) tegenkomen terwijl hij zich opwarmt in de zon die door een bres dringt in het bladerdak.

 

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >