|
De beuk en de houthakker:
Er was eens een knorrige houthakker. Een echt rotkarakter. Hij gooide zijn vest aan de voet van een boom, stroopte zijn mouwen op en begon te hakken. Hij hakte uit volle kracht, met volle geweld.
- Hey daar, kalm aan jongen.
Uit het bladerdak hoorde hij een diepe stem. De houthakker verstarde en keek naar boven. Op de takken zat een klein mannetje. Een heel klein mannetje, gerimpeld en gebocheld. De stem ging door:
- Zeg kereltje. Dat is wel mijn boom hoor, die je daar aanvalt. De boom waar ik zo graag even in uitrust.
De houthakker fronste de wenkbrauwen. Hij had in het kleine mannetje wel degelijk een bosgeest herkend, maar trok het zich niet aan. Waarschijnlijk was zijn geest beneveld door zijn slecht humeur. Hij mompelde een paar scheldwoorden en hakte op de stam in met alle kracht die hij kon opbrengen.
- Au, stop! Er vliegen spaanders tot in mijn ogen.
Maar de bijl bleef hakken en de houthakker bleef vloeken.
- Aha, zit het zo… zei het kleine mannetje. Goed, als je zo knorrig bent, verander ik je in een beer. En de boom waar je zo hevig tegen tekeergaat, die geef ik een schors waar jij niet op zal kunnen klimmen!
En sindsdien zijn beren altijd knorrig en hebben beuken een gladde schors.
|