|
Remaclus, apostel van de Ardennen.
Heel lang geleden, in de tijd dat Remaclus naar ons land kwam, was de streek bedekt door het grote Ardense woud. Een dichtbegroeid, ondoordringbaar, donker en angstaanjagend bos.
Er waren geen steden of dorpen. Hier en daar leefden arme groepjes mensen op open plekken in het bos. Zij geloofden niet in god.
Om door het grote, wilde bos te komen, moesten de reizigers kleine wegen vol gevaren volgen. Zij liepen het gevaar aangevallen te worden door bandieten… of door wolven!
Met zijn volgeladen ezel reisde Remaclus door de bossen, op zoek naar heidenen. Tijdens zijn doorreis liet hij bronnen ontspringen, die hij dan zuiverde. En wat moest gebeuren, gebeurde: op een donker, bochtig pad springt een wolf naar de keel van de ezel en doodt hem.
Remaclus was er niet gelukkig om:
- Boze wolf! Waarom dood je nu zo’n braaf dier? En wie zal mijn bagage nu dragen?
De wolf kijkt beschaamd naar beneden.
- Ik had honger, Heer!
Remaclus raakte de wolf aan met zijn stok:
- Nu mijn ezel toch dood is, kan je hem opeten en krachten winnen want nadien zal jij mijn last moeten torsen.
En zo kwam het dat men, lang geleden, Remaclus kon zien wandelen door de Ardennen, steeds vergezeld van zijn geladen wolf.
|