Luscircuit 3
Wandelpaal n°18:  het arboretum van Tahanfagne.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

Insecten.

De wereld van de insecten is bijzonder gevarieerd, zodanig zelfs dat het voor een amateur niet altijd eenvoudig is een onderscheid te maken tussen de verschillende orden. Hieronder een aantal van de meeste bekende orden.

 

De diptera of tweevleugeligen vormen een reusachtige orde. Zij hebben maar één paar vliesachtige vleugels. Deze orde omvat vliegen, muggen, dazen en zweefvliegen.

 

De waterjuffers en libellen vormen de orde van de odonata, roofdierinsecten die gekenmerkt worden door een verlengde onderbuik.

 

 

 

De lepidoptera (schubvleugeligen) zijn de dag- en de nachtvlinders. Dagvlinders hebben voelsprieten die uitlopen op een “knop”, terwijl nachtvlinders voelsprieten hebben in verscheidene vormen, maar nooit in de vorm van een knuppel.

 

De hymenoptera (vliesvleugeligen) zijn de bijen, de wespen, de hommels en de mieren, onder meer. Zij hebben vier vliesachtige vleugels en meestal een heel erg fijne “taille”.
 

 

 

 

De orde van de orthoptera (rechtvleugeligen) wordt gekenmerkt door de sterk ontwikkelde achterpoten.
Sprinkhanen, veldsprinkhanen en krekels, ze kunnen allemaal grote sprongen maken.

 

De coleoptera (schildvleugeligen) vormen de grootste van alle insectenorden. Hun achtervleugels zijn taai en soms erg bont. Deze orde omvat onder meer lieveheersbeestjes, zandkevers, loopkevers en spintkevers.

 

 

Insecten zijn heel boeiend. Zij verdienen onze belangstelling.

Het boorsysteem.

De boorputten zijn niet enkel omringd door een beschermend hek, het oppervlak dat ze in beslag nemen moet ook volledig zuiver zijn: er mag niets rondslingeren. De deksels zijn voorzien van een beschermrand die niet in contact komt met de bovenkant van de betontegel en die, aan de binnenkant, voorzien zijn van een dichtingsring.
De onttrekkingsruimte moet absoluut proper zijn en vrij van voorwerpen en gereedschappen. Al deze voorschriften hebben tot doel een vlekkeloze hygiëne en een doeltreffende bewaking mogelijk te maken.


 

De diepte van de boringen
varieert in functie
van de diepte waarop
de grondwaterlaag ligt:
van 20 tot 50 meter en meer.

De buis heeft een blind bovenstuk dat het grondwater niet doorlaat.
Met een deksel in klei voorkomt men het vermengen van de ondergrondse
oppervlaktewateren met
de grondwaterlaag.

Het tweede deel van de buis is voorzien
van microperforaties die het grondwater doorlaten.

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >