|

|
Luscircuit5 Wandelpaal nr. 3. Het Nélys-pad. |

|
De bloei van de bomen. |
|
Vooraleer de bomen bladeren krijgen, zijn er in de bossen al heel wat planten die groeien, bloeien, reserves opslaan in hun ondergrondse delen en in de lente enkel overleven als een steel die vruchten draagt.
|
|
|
|
Gewoon speenkruid, Ranunculus ficaria, is ook een vroegbloeier. De zogenoemde “Clâ d’ôr” is gemakkelijk te herkennen aan de gele bloembladeren, de afgeronde bladeren in hartvorm, de lange bladsteel en de liggende steel die ook lang is. Speenkruid groeit op een vochtige en frisse bodem. De Latijnse naam Ficus betekent “vijg” en verwijst naar de vorm van de kleine bloembolletjes die door deze ranonkelachtige worden gevormd. De bloembolletjes zijn een noodzakelijk systeem voor de verspreiding van deze plant die erg vroeg bloeit, vaak in de schaduw staat en dus heel wat bloemen heeft die “onbevrucht” blijven bij gebrek aan insecten om ze te bestuiven.
De Kelten noemde het speenkruid “Grian”, de zon, omdat de bloemknopjes dichtgaan als het regent.
|
|
Speenkruid is rijk aan vitaminen C en werd gebruikt om scheurbuik te bestrijden. De jonge blaadjes worden voor de bloei geplukt en in salades gegeten. Maar opgelet! Zoals alle ranonkelachtige planten is speenkruid ook giftig. De protoanemonine die deze plant bevat, werd vroeger gebruikt tegen wratten. Deze plant werd soms ook “épinard des bûcherons” genoemd (houthakkersspinazie) en maakte deel uit van het dieet van de dorpsbewoners: bij het koken verdwijnen namelijk de giftige eigenschappen.
Andere planten, zoals klein hoefblad of schaduwkruiskruid, profiteren van het licht aan de rand van het pad of op open plekken om te bloeien.
|

|
|
|
|
Het klein hoefblad, Tussilago farfara, is een vaak voorkomende asterachtige die zeer vroeg in de lente verschijnt. Plaatselijk wordt het ook “fleur dè Saint-Djôsèf” genaamd (Sint-Jozefbloem). Op het eerste zicht zou men deze plant kunnen verwarren met een gewone paardebloem maar bij deze soort verschijnen de bloemen voor de bladeren. De middeleeuwse naam van deze plant, Filius ante patrem, betekent “de zoon voor de vader” en verwijst naar deze eigenschap. Hoefblad wordt plaatselijk ook “pas d’âne” genaamd (ezelpas) door de bijzondere vorm van de bladeren.
De Latijnse naam is afgeleid van Tussis = hoest en Ago = ik jaag. Hoefblad is namelijk een geneeskrachtige plant die gomslijm en tannine bevat. De bloemen en de bladeren werden toegediend tegen hoest, verkoudheden en longontstekingen.
Er worden aan deze plant echter nog andere, meer bijzondere deugden toegeschreven. Naar verluid is het een verjongingsplant die rimpels wegvaagt. Sommige mensen knabbelen graag aan de rauwe, sappige bladsteel. De bladeren werden destijds gedurende enkele maanden gedroogd en dan als tabak opgerookt om astma te bestrijden. Nu worden ze als alternatief gebruikt om te stoppen met roken. De assen die overblijven na het verbranden van de bladeren, werden vroeger gebruikt als ersatz voor zout.
|
|

|
De Latijnse naam van het schaduwkruiskruid, Senecio fuchsii, is afgeleid van Senex = “bejaarde” en verwijst naar de witte haarkuifjes van de vruchten die doen denken aan grijs haar van een bejaarde. Gewone ereprijs, Veronica chamaedrys, kreeg deze naam door de vorm van de bloemkroon. Deze doet denken aan de afdruk van het gezicht van Jezus op het doek dat door Sint Veronica werd gebruikt om het gezicht van de martelaar te drogen.
|

|
|
|
|
|
Planten verzamelen om ze te eten of als geneesmiddel te gebruiken, moet gebeuren met de nodige voorzichtigheid voor wat betreft giftigheid en dosering of gewoon hygiënische aspecten.
|
|

|
Aan de rand van het bos. |
|
In ons gematigde klimaat evolueert de natuur langzaam maar zeker naar een bosomgeving.
Bosranden en open plekken in het bos zijn onontbeerlijke elementen voor biodiversiteit: hier kunnen pioniersoorten of heliofiele soorten (die van licht houden) zich vestigen. Stelt u het volgende voor: een tra (open plek) ontstaat in het bos doordat een aantal bomen omvallen. Het licht en de warmte verhogen de activiteit van pedofauna (ongewervelde soorten en bacteriën die in de grond leven). Licht, een luchtige bodem… ideale omstandigheden dus, net waar een hele reeks zaadjes op zat te wachten om te ontkiemen: vingerhoedskruid, bastaardwederik, frambozenstruiken… Ze verschijnen met de bijhorende stoet insecten die op hun beurt dan weer bepaalde roofdieren aantrekken… enz. En zo wisselen grasachtige planten (lage planten), struiken, bomen en ongewervelde diersoorten, die allemaal gebonden zijn aan die omgeving, elkaar in de loop der tijd af tot de tra opnieuw is dichtgegroeid.
|

|
|

|
De egel, Erinaceus europaeus, is een zoogdier dat bekend staat voor zijn gave om… zijn 6.000 stekels recht te zetten. Regelmatig, om de 18 maanden, verwisselt hij zijn stekels (niet allemaal tegelijk, maak u geen zorgen). Dit kleine nachtdier leeft niet in hoogopgaande bossen maar houdt van de variatie van de bosrand waar hij eten en onderdak vindt. Hij is voornamelijk insectivoor en vult zijn traditionele, ongewervelde dieet aan met kikkers en padden, hazelwormen, hagedissen, broedsels of kleine knaagdieren. Als hij gestoord wordt, doet de egel zijn kop naar beneden om zijn stekels voor zijn voorhoofd te plaatsen, fronst zijn neus, trekt zijn lichaam samen en vormt zo een bal vol stekels die naar alle kanten prikken en pijn kunnen doen, hoe je de egel ook aanraakt.
|
|
|
Photo: Roger Herman
|
|
De stekels worden ook gebruikt om een nest te maken: de egel begeeft zich tussen een stapel bladeren of los gras, begint te rollen om met schokjes het materiaal goed te leggen. In de winter gebruikt hij een soortgelijk nest. In de geborgenheid van dat nest verlaagt de lichaamstemperatuur van de egel en vertraagt zijn ademhaling en metabolisme: hij houdt zijn winterslaap.
|

|
|
|
Photo: Roger Herman
|
|
|