Luscircuit 5
Wandelpaal nr. 8. Natura 2000.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

Spechten.

Onder de vogels waarvoor Speciale Beschermingszones werden voorzien, is er de zwarte specht, Dryocopus martius, een vaste bezoeker van het beukenbos. Het is de grootste van “onze” spechten: zijn spanwijdte is even groot als die van een kraai en beide zijn gemakkelijk door elkaar te halen. De specht onderscheidt zich echter door de schokkerige manier van vliegen, het rode kalotje en de ivoorkleurige snavel. Hij zoekt zijn voedsel vaak aan de voet van dode of stervende bomen: voornamelijk mieren die in rotte boomstronken leven of onder de schors van afgetakelde bomen. De kleine bonte specht, Dendrocopos minor, heeft een spanwijdte van slechts 28 cm. Het is de kleinste specht in Europa, die vaak te zien is in de boomtoppen.

Photo: Vatar-Bourgogne

In dit bos leeft nog een specht: de grote bonte specht, Dendrocopos major. Deze specht komt vrij veel voor en heeft een bonte, zwarte en witte vederdracht met rood onder de staart en ook achter het hoofd bij de mannetjes. De grote bonte specht is kleiner dan de zwarte specht en leeft het grootste deel van het jaar alleen op zijn domein. Eind januari begint hij weer te hameren om zijn territorium af te bakenen. Als de specht hamert, klopt ze 10 tot 16 keer met haar snavel op zes tiende van een seconde! Hoe houdt ze het vol… De middelste bonte specht, Dendrocopos medius, trekt hard op de grote bonte specht maar is zeldzaam in Wallonië en leeft vooral in eikenbossen.

 

De groene specht, Picus viridis, is zeker de meest gekende. Zijn spottende zang is beroemd en hij komt vaak in onze parken en tuinen. Verwar de groene specht echter niet met de grijskopspecht, Picus canus. Deze is weinig gekend, leeft uitsluitend in bossen en is uiterst zeldzaam. De grijskopspecht is ook opgenomen in de Europese richtlijn en leeft in afgetakelde beukenbossen.

Het is een expert in dood hout: hij heeft een uitgesproken voorkeur voor de rand van het beukenbos, vlak bij de venen of open plekken. Men kan hem herkennen aan de ontbrekende rode snor en aan het rode kalotje dat heel wat kleiner is.

Photo: Roger Herman

Let op de sporen van de spechten: houtsplinters onderaan een dode boom, gaten in de stam, een dennenappel die vastzit in de schors…

Enkel planten uit het beukenbos.

In dit bos is het plantentapijt onder de beuken vrij eentonig. Hier volgen een paar planten die u kunt vinden langs de ru Meyerbeer.

Haarmos is een mooie, hoge mossoort die vaak te vinden is op een zure bodem en dus ook in de Ardense beukenbossen. Er bestaan verschillende soorten haarmos en ze zijn niet gemakkelijk te bepalen: gewoon haarmos, Polytrichum commune, veenhaarmos, Polytrichum strictum, fraai haarmos, Polytrichum formosum

 

Mossen planten zich voort met sporen. Deze worden bewaard in kapseltjes aan het einde van een lange steel die pas begint te groeien na de bevruchting. Bij haarmossen is het kapseltje gesloten met een deksel, het “operculum”, en bedekt met een huikje dat loskomt als de sporen rijp zijn en verstrooid kunnen worden. Haarmos wordt in deze streek ook “bezemmos” genoemd. Het werd tussen 15 mei en 15 juni verzameld en is lang in gebruik geweest bij de dorpsbewoners: zij gebruikten het als slaapmat voor dieren, om bezems te maken, om de lemen gevelpunten waterdicht te maken of, verbazender nog, om te verkopen zodat er kabels mee gemaakt konden worden voor de zeevaart, ter vervanging dus van hennep. Haarmos was zo begeerd omdat het stevig is en onbederfelijk.

Er gedijen hier twee soorten veldbies. Veldbies maakt deel uit van de biesfamilie, de Junacaceae, maar heeft altijd platte bladeren met witachtige haartjes. Zoals bies is veldbies ook kenmerkend voor een arme bodem en groeit het vrij traag.

Witte veldbies, Luzula luzuloides, is kenmerkend voor zuurminnende bergbeukenbossen zoals het bos waar u nu in wandelt. De mooie witte bloemen verschijnen pas in mei. Grote veldbies, Luzula sylvatica, is de grootste veldbiessoort. Zij maakt dikke pluimen en valt zeker op met de zeer brede, prachtig groenblinkende bladeren die blijvend zijn in de winter. De bloem is discreter, bruinachtig, en verschijn in mei of juni aan het einde van een lange steel. Het is ook een zuurminnende plant die aangeeft dat de bodem minder rijk is of vochtiger.

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >