Luscircuit 6
Wandelpaal nr 1. Het domein van Bérinzenne.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Circuit 5 volgende wp. >

Het leven in het park.

Een park is een vrij bijzondere omgeving. Het is een concentratie van een ongewoon aantal leefomgevingen op een kleine oppervlakte waar een gevarieerde fauna kan gedijen. In het park van Bérinzenne bestaan er bijvoorbeeld verschillende habitatten naast elkaar: een vijver met waterfauna, een vochtige weide voor insecten en kikvorsachtigen, grasvelden waar geregeld zoogdieren komen of de bossen rond het park waar talrijke diersoorten leven, de struiken, de bloemen, de bosjes grote bomen… Stille wandelaars kunnen hier ’s ochtends in de lente wel eens een haas betrappen.


 

 

De haas, Lepus europaeus, is een klein zoogdier dat meestal in open omgevingen leeft: velden, heide, tot aan de bosrand. En toch komt men ook hazen tegen in het bos. Ook al lijken ze sterk op elkaar, toch zijn er duidelijke verschillen die ons in staat stellen de haas en het konijn uit elkaar te houden. De haas is beduidend groter, zijn oren zijn heel wat langer (zeker langer dan de lengte van de kop) en hebben zwarte punten. Als hij met zijn krachtige sprongen voortschrijdt, houdt de haas zijn staart naar beneden. De staart is bovenaan zwart met witte randen. Het konijn heeft kleinere oren, zonder zwart, en houdt de staart omhoog bij het rennen waardoor de witte onderkant te zien is.


Hazen en konijnen hebben ook een heel andere leefwijze: de haas is solitair en graaft geen holen, in tegenstelling tot het konijn dat in groep leeft, in “konijnenbossen”, en maakt talrijke holen. De mannelijke haas heet de rammelaar, het vrouwtje de moerhaas. De moerhaas kan meerdere drachten hebben per jaar, meestal drie of vier, en is soms al gedekt enkele dagen voor ze haar jongen werpt! Ze heeft 2 tot 5 jongen per dracht. Ze worden geboren met vacht en openen snel hun ogen. De zoogperiode is vrij kort en de moeder houdt zich maar weinig met haar jongen bezig, die snel aan hun lot worden overgelaten.

Hazen en konijnen behoren tot de orde der Lagomorfa (haasachtigen), ze zijn nauw verwant met knaagdieren maar hebben vier snijtanden in de bovenkaak: twee grote en twee kleinere vlak erachter. Ze verteren hun voedsel in twee stappen: de eerste, zachte “keutels” worden weer opgegeten en verteerd. Dat heet caecotrofie.

 

      Volg de weg een aantal meter. Blijf voorzichtig, we wensen u een aangename wandeling.

Vogels in het park

De kans is groot dat u op het grasveld van het park, vanaf het einde van de winter, een zwarte, grijze, witte vogel te zien krijgt: de witte kwikstaart, Motacilla alba. De slanke, elegante witte kwikstaart zoekt al lopend naar insecten om zich te voeden. De Franse naam “bergeronnette” duidt op het feit dat hij graag in de buurt van veekuddes rondvliegt, als een herdertje (“bergeron”), omdat daar veel insecten zijn. De Waalse naam “Béguinète” (begijntje) verwijst allicht naar de kleuren van zijn vederdracht en het kopje dat doet denken aan de kap van een non. De witte kwikstaart heeft nog andere namen: akkermannetje, wipstaartje doordat hij voortdurend met zijn lange staart klopt (Frans: hochequeues gris) of nog “lavandière” in het Frans (wasvrouw) omdat hij vaak langs waterlopen te zien is. Witte kwikstaarten zijn deels trekvogels maar sommige zijn sedentair in streken waar de winter zacht is. Andere trekken naar het zuiden van Frankrijk of naar Noord of Centraal Afrika.

 

Boven de vochtige weide, aan de andere kant van de weg, zweefvliegt geregeld een roofvogel voorbij in één enkele trek. Plaatselijk zegt men dat de vogel de vlucht van de “Heilige Geest” doet. Het is de kleine torenvalk, Falco tininculus, die ter plaatse vliegt om prooien te vinden. Eenmaal de prooi in het vizier is, duikt de valk met de vleugels ingetrokken om met een indrukwekkende snelheid toe te slaan. Zijn lievelingsprooien zijn micro-zoogdieren, insecten, aardwormen… en hij ziet ze van ver. Valken hebben smalle, in punt eindigende vleugels en een gestroomlijnd lichaam, gemaakt voor snelheid. Het is de meest verspreide roofvogel in ons werelddeel.

 

De goudvink, Pyrrhula pyrrhula, is geregeld te zien in de grote bomen van het park maar nestelt bij voorkeur in doornstruiken. De bonte, gedrongen goudvink heeft de korte, kegelvormige snavel die kenmerkend is voor zaadetende vogels. De jongen worden grootgebracht door beide ouders. Zij verzamelen voedsel, voornamelijk zaden en wat insecten, in kroppen aan weerszijde van de tong. Het voedsel wordt als een brij aan de jongen gevoed, die lange tijd bij hun ouders blijven.

 

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Circuit 5 volgende wp. >