Luscircuit 6
Wandelpaal nr. 3. Het Nélys-pad.

Onthaal wandelingenVirtueel bezoek 360°Géografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

Enkele bloemen.

Het boerenwormkruid, Tanacetum vulgare, is een sterk geurende asterachtige (familie der margrieten). Het is gemakkelijk te herkennen aan de mooie, helgele kleur, de bloemkorfjes in de vorm van “knoppen” en de sterk gekartelde bladeren. Het is te vinden langs wegen en spoorwegen, op een bodem die droog genoeg moet zijn. Boerenwormkruid is geneeskrachtig en werd gebruikt als pleister om verzwikkingen en kneuzingen te verzorgen, als bad tegen aambeien, als infusie tegen wormen, als gorgeldrank tegen tandpijn! Maar opgelet: net als bij andere geneeskrachtige planten is een te hoge dosis giftig. Toch werd deze plant voor nog andere doeleinden gebruikt. Bijvoorbeeld om ongedierte te bestrijden: een aftreksel van de bloemen en bladeren was zeer doeltreffend om vee tegen wormen te behandelen. Het werd ook gedroogd, opgehangen op een goed verluchte plaats en dan neergelegd in de linnenkast, de hondenmand of… het kippenhok, om insecten te verjagen. Het is bovendien een plant die honing geeft.

In de 17e eeuw werd deze plant gewijd en had men de gewoonte er een paar blaadjes van te eten met Pasen, na het gedroogde vlees en de gedroogde vis die heel de winter bewaard werden. Ten slotte kunt u ook het volgende proberen: steek een blaadje boerenwormkruid, dat u in de Sint-Jansnacht tussen elf uur en middernacht hebt geplukt, in uw schoen en… u wordt onzichtbaar!

 

Een andere plant die veel voorkomt op de wegberm is berenklauw, Heracleum sphondylium, een grote, schermdragende bloemsoort die door haar kracht de soortnaam kreeg van Hercules. De geslachtnaam komt van het Grieks “spondylos”, wat “gewerveld” betekent en verwijst naar de steel die even stevig is als een ruggengraat. De naam berenklauw (en in het Frans ook “patte de loup”, wolvenklauw) verwijst naar de bladeren. De naam “wilde peen” dankt de plant aan de sappige smaak van de jonge wortels. De Franse naam “berce” is van Poolse oorsprong. In Polen werd met gekookte en gegiste bladeren en zaden van de berenklauw de berucht borsjtsj gemaakt, een bittere drank, half bier, half soep.

 

In de volksgeneeskunst was berenklauw ervoor gekend wormen uit de hersenen te verjagen, maar het verwierf vooral roem als afrodisiacum. Is het daarom dat de bladeren zo gegeerd worden door konijnen? De stengel en de bladstelen zijn heel zoet: ze werden vroeger afgestroopt, in de zon gedroogd en als snoep opgegeten. Het enige nadeel van deze plant is dat er haartjes op de stelen staan die bij gevoelige mensen een huidirritatie kunnen veroorzaken. Sinds kort is ook de reuzenberenklauw, Heracleum mantegazzianum, die afkomstig is uit Azië, bij ons verschenen. Deze is duidelijk groter en kan tot vijf meter hoog worden. Reuzenberenklauw groeit op vochtige plaatsen en is uiterst irriterend voor de huid.

    Als men planten verzamelt als voedsel of geneesmiddel, moet men steeds de nodige voorzichtigheid aan de dag leggen en letten op de giftigheid, de dosering en de hygiënische aspecten.

De schildvleugelachtigen

Zowel op boerenwormkruid als op berenklauw vindt men geregeld insecten. Bij “insecten die bestuiven” denkt men meteen aan bijtjes en hommels maar sommige schildvleugelachtigen vervullen dezelfde rol. De schildvleugelachtigen vormen een reusachtige en bijzonder gevarieerde orde: sommige zijn piepklein, soms minder dan een millimeter lang, andere heel groot (de Goliathkever is een Afrikaanse kever die 10 cm lang is en 100 gr weegt). Sommige zijn heel bont, zoals lieveheersbeestjes, andere heel sober, of zelfs lichtgevend. Maar de meeste schildvleugelachigen (coleopterum) zijn gemakkelijk als dusdanig te herkennen door hun dikke achtervleugels die een schild, het dekschild, vormen.

 

Het vliegend hert, Lucanus cervus, is als soort opgenomen in de habitatrichtlijn en in Natura 2000. Het is een bosinsect dat 5 tot 8 cm groot kan worden! Om zijn levenscyclus rond te maken, heeft hij dood hout nodig: de larven voeden zich met de humus die afkomstig is van stronken in ontbinding. Het volwassen vliegend hert voedt zich dan weer met het sap van de bomen en is dus vaak te zien in eikenbossen, oude fruitboomgaarden… De laatste tijd is het vliegend hert niet meer gezien in de streek van Spa, maar wel in de Provincie Luik, in de Maasvallei.

 

 

Boktorren, Cerambycidae, hebben een lang, plat lichaam en grote voelsprieten, soms zelfs langer dan het lichaam. Veel boktorren zijn houteters als larve en leven onder de schors of in het hout. Sommige volwassen boktorren voeden zich met pollen, nectar of bloemvoortplantingsorganen.

 

 

De mannetjes van sommige schijnboktorren, Oedemeridae, hebben bijzonder goed ontwikkelde achterpoten. Zij lijken wel enorme “billen” te hebben. De meeste volwassenen zijn overdag actief, ze profiteren van het zonnige weer om bloemen af te zoeken en zich te voeden met pollen en nectar.

 

 

Sommige weekschildkevers of soldaatjes, Cantharidae, vinden elkaar op bloemen die ze uitsluitend gebruiken als jachtterrein, het zijn namelijk roofdieren.

 

 

Wanneer kniptorren, Elateridae, op hun rug liggen, kunnen ze omhoog springen en terug op hun poten vallen. Ze zijn heel rustig en vaak van vrij dichtbij te bekijken. Sommige vliegen van bloem naar bloem op zoek naar nectar. Als men te dichtbij komt, laten ze zich op de grond vallen.

 

 

Onthaal wandelingenVirtueel bezoek 360°Géografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >