Luscircuit 6
Wandelpaal nr.°6. De “Ru du pendu”.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

De das.

 

De das, Meles meles, is een dier dat bij voorkeur in loofbossen en bosrijke omgevingen leeft. Hij heeft absoluut afwisseling nodig, weiden en plaatsen met struikgewas, bosjes, loofbomen… Af en toe kan je een das tegenkomen aan de rand van een sparrenbos. Dassen zijn gedrongen en gespierd, hun lompe houding doet denken aan die van beren (logisch trouwens want de das is net als de beer een zoolganger). De das is vriendelijk en leeft in familiegroepen. Hij graaft zijn leger in grond die los genoeg is, liefst op een helling zodat er geen water binnenloopt en in de nabijheid van jachtgronden waar veel wormen zitten. Het leger kan in de loop der tijd, naarmate de generaties elkaar opvolgen, veranderen in een waar labyrint met talrijke ingangen, gangen, nooduitgangen, verluchtingsschachten en kamers. De jongen worden in de grootste kamer ondergebracht.

 

 

De das is een graafdier en past voortdurend zijn leger aan. De hoeveelheid graafpuin kan indrukwekkend zijn. De hoofdingang is te herkennen aan het spoor dat zich heeft gevormd door het heen en weer gaan van de inwoners. En tot slot een verbazend detail: de das maakt ook “latrines”: kleine gaatjes om zijn uitwerpselen in te doen. De das is erg discreet, leeft uitsluitend ’s nachts en is een alleseter. Zijn dieet is afwisselend, gaande van regenwormen tot allerlei vruchten. Hij vangt ook insecten, kikvorsachtige dieren en kleine knaagdieren

 

 

De das was vroeger goed verspreid maar werd begin jaren ’80 al gezien als een met uitroeiing bedreigde diersoort in het Waals Gewest. Dassen hebben een zware tol betaald tijdens de vergassingscampagnes van vossenlegers. 25% van de legers worden immers door beide soorten gebruikt. Daarnaast is de dassenbevolking ook geslonken door de landschapsveranderingen ten gevolge van de landbouw (geen hagen of bosjes meer, herbebossing met naaldbomen…) en door verschillende bedreigingen (strijd tussen honden en dassen, commercialisering van de pels en het vet, wegverkeer…). Sinds de vergassingscampagnes zijn gestopt, is de dassenbevolking in het Waalse Gewest echter flink aan het stijgen. Ook al zijn het nog maar plaatselijke groepen, toch kan men zeggen dat de das buiten gevaar is.

 

    De das is een marterachtige. Andere marterachtige dieren die in onze streken leven, zijn de wezel, de hermelijn, de steenmarter (fluwijn), de bunzing en de marter.

Een gemengd bos.

Het pad loopt nu door een beukenbos gemengd met grove dennen. De grove den, Pinus sylvestris, is een lichtminnende boom en het onderhout is goed ontwikkeld onder zijn lichte lover. De grove den heeft geen last van een compacte ondergrond en vormt krachtige wortels, maar hij heeft wel een groot gebrek: hij is niet bestand tegen het gewicht van blijvende sneeuw, waardoor zijn takken of kruin kunnen breken. De grove den is gemakkelijk te herkennen aan de stam, die bovenaan voor een derde mooie oranjerood is, en aan de naalden die gedraaid en gewrongen zijn, per twee staan en blijvend zijn. Net als alle andere boomsoorten die groen blijven in de winter, verliest de grove den na een aantal jaren geleidelijk zijn naalden. Ze vormen een strooisellaag die in dit bos niet goed ontbonden wordt.

  

De kruisbek, Loxia curvirostra, haalt zijn voordeel uit de groeiende naaldbomenbevolking in de Waalse bossen en is tegenwoordig als nestelvogel beter vertegenwoordigd in onze streken dan vroeger. Zoals de naam het zegt, zijn de dunne boven- en ondersnavel van de kruisbek gekruist. Dankzij deze “schaar” kan hij met een onthutsende behendigheid de schubben van naaldboomkegels opensplijten om er de zaden uit te halen. Dennenappels die door een kruisbek zijn leeggehaald, herkent men dus aan de gebarsten schubben en aan het feit dat ze vaak op de grond liggen met nog een stuk van de groene tak eraan.

 

Kruisbekken worden geboren met een rechte snavel, pas na drie weken beginnen de onder- en bovensnavel gekruist te groeien. Bovendien gebeurt dit niet altijd in dezelfde richting: er zijn rechtse en linkse kruisbekken! Deze vogels zijn verplicht te trekken. Naaldbomen maken namelijk niet elk jaar vruchten in overvloed en de kruisbek moet de grondstoffen volgen die hij nodig heeft. Daar deze grondstoffen ook in de winter in overvloed te vinden zijn, kan de kruisbek heel vroeg nestelen. De koppels beginnen zich al op het einde van de winter af te zonderen.

 

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >