Luscircuit 6
Wandelpaal nr. 7. De “Ru du pendu”.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

Enkel planten langs het pad.

Aan het einde van het pad is er voldoende licht zodat een aantal heliofiele planten (die van licht houden) aan de rand van het bos, langs het pad kunnen gedijen.

 

Het wilgenroosje, Epilobium angustifolium, is een grote plant die soms in de lente stralend gekleurde “kolonies” vormt. De bloembladeren zijn niet helemaal gelijk, de kelkbladeren zijn felroze van kleur. De bloemen zijn “tetrameer” (elk deel van de bloem groeit in groepen van 4 of een veelvoud daarvan): 4 bloembladeren, 4 kelkbladeren, 4 stempels et 8 meeldraden. Het wilgenroosje, ook wel grondoleander genaamd, is een koloniserende plant die te vinden is op elk open plekje in het bos, als de hertachtige bosbewoners haar tenminste met rust laten… Ze lusten deze plant, die een echte caloriebom is, namelijk erg graag. De plaatselijk “wilde flox” (sâvadge flox) genoemde plant, werd door de landbouwers vervloekt want de vruchten, waar een pluimpje op groeit, mengden zich met de haver die dan korrel per korrel gesorteerd moest worden als er bloem van gemaakt werd. De stengels bevatten een licht gesuikerde, geleiachtige “merg”. Deze taaie plant werd vroeger gestoomd en met saus opgediend. Het wilgenroosje is een honingplant met geneeskrachtige eigenschappen: laat 30 gr gedroogde wortel in een liter water koken en u hebt een gorgeldrank tegen mondzweertjes. De zaden hebben een lang pluimborsteltje en worden door de wind verspreid, soms over grote afstanden. Men zegt dat de borsteltjes gesponnen kunnen worden… met heel veel geduld uiteraard.

   

 

Geel nagelkruid, Geum urbanum, is een roosachtige plant die vaak aan de rand van een bospad groeit. Er zijn heel wat plaatselijke volksnamen voor deze plant, die verwijzen naar de deugden ervan: “benoîte officinale”, “herbe de Saint Benoît”, “herbe du bon soldat” of “racine bénite” daar vooral de kleine ondergrondse stengel (racine) van de plant werd gebruikt. Deze bevat een licht giftige, etherische olie en ruikt naar kruidnagel. In de 12e eeuw werd ze “benedicta” genoemd door Sint Hildegarde, Plinius de Oude vermeldde ze reeds in zijn “natuurgeschiedenis”. Hier in de streek wordt wel eens beweerd dat zij een betovering laat vallen over diegenen die haar plukken…

   

 

    Om planten te verzamelen, is een grondige kennis van de verschillend soorten een vereiste. Er bestaan bijvoorbeeld verschillende soorten nagelkruid: de moerasbasterdwederik en bergbasterdwederik met bloemen die bleker zijn, het harige wilgenroosje dat zacht behaard is…

Vruchten en vruchteneters.

In mei pronkt langs het pad een struik met geelachtige pluimen: dat is de trosvlier, Sambucus racemosa. De gewone vlier, een verwante van de trosvlier, werd in elke tuin geplant voor zijn talrijke en uiteenlopende deugden. De trosvlier had echter een minder goede reputatie. De rauwe vruchten kunnen namelijk een intoxicatie en braakneigingen veroorzaken. Ze bevatten wel veel vitaminen C en het sap van deze vruchten werd gekookt om een verrukkelijke, doorzichtig rode gelei te maken

  

De kramsvogel, Turdus pilaris, is een grote liefhebber van bessen. Het is een sociale vogel die van het einde van de zomer tot in de lente in dichte groepen leeft, in hagen en weiden waar hij afwisselend bessen plukt en op ongewervelde dieren jaagt. Het is geen bosvogel, maar hij heeft wel grote bomen nodig om zijn nest te maken, liefst vlak bij zijn jachtterrein, aan de rand van een weide.


   

  

 

 

De merel, Turdus merula, was oorspronkelijk een overtuigde bosvogel. Tegenwoordig heeft de merel zich bijzonder goed aangepast aan de aanwezigheid van de mens, hij is dan ook sterk aanwezig in onze grote steden, op voorwaarde dat er wat bomen te vinden zijn.

  

Zijn voeding vindt hij meestal op de grond, zijn lievelingskost zijn regenwormen. Hij eet ook insecten en lust erg graag vruchten die hem de nodige vitaminen geven om pluimen te maken, met name in de ruiperiode. In de lente kan de merel betoverend zingen, waarbij hij elke strofe afsluit met een kirrend getsjilp.

 

 

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >