|

|
Luscircuit 6
Wandelpaal nr. 8. De “Ru du Pendu”.
|

|
Het leven in het beukenbos. |
In de lente en de herfst groeit er op het rottende hout, verstopt in de strooisellaag van het bos, een eigenaardige paddenstoel. De grote stinkzwam, Phallus impudicus, wordt ook wel duivelsei genoemd en de Latijnse naam betekent “ombeschaamde fallus”. Deze drie namen zijn wel erg toepasselijk.
Eerst heeft deze paddenstoel de vorm van een ei. Later scheurt het ei open. De paddenstoel verandert in een “stam” met “hoed” en krijgt dan een veelbetekenende vorm. De “hoed” is bedekt met een slijmlaag waar de sporen in zitten. Deze slijmlaag heeft een erg uitgesproken stank die voor ons bijzonder onaangenaam is. Vliegen worden er echter wel door aangetrokken. Hun poten worden met sporen “ingesmeerd” en zo zorgen zij voor de verspreiding |
 |
|
|
|
|
Soms zijn kevertjes van een paar millimeter lang in staat om verzwakte reuzen te vellen met behulp van paddenstoelen. Andere insecten kunnen ook een spectaculaire impact hebben, maar met gevolgen die minder erg zijn voor de bomen: zo bijvoorbeeld de “ontbladeringsoperaties” door de rupsen van bepaalde nachtvlinders.
|
|
|
|

|
De wapendrager, Phalera bucephala, is een nachtvlinder waarvan de zwartgele rups zich ontwikkeld op lover. De eitjes worden gelegd in groepjes van ongeveer 50 exemplaren op de onderkant van het blad dat de jonge rupsen zullen verslinden voor ze zich ingraven in de strooisellaag waar zij overwinteren. Deze rupsen kunnen de gezondheid van jonge bomen aantasten.
| |
 |
De meriansborstel, Elkneria pudibonda, is eerder gespecialiseerd in hulst maar vindt men ook op andere bomen, waaronder de beuk. Deze volledig behaarde rups is echt prachtig. De imago’s (volwassen insect) voeden zich niet. |
|
|
|
|


|
De bastaardsatijnvlinder, Euproctis chrysorrhoea, kan soms indrukwekkende ontbladeringsacties voeren op meidoornhagen, sleedoorns, vlierbomen of andere loofbomen. Biologisch gezien is deze vlinder ietwat ongewoon. De rupsen hebben bosjes prikkende haren. In hun nimfengedaante zijn deze haren verwerkt in de cocon. Wanneer het vrouwtje als vlinder ontpopt, zetten deze haren zich vast in haar dons. Zij legt haar eitjes ’s nachts, in vlekken, op bladeren of jonge scheuten en bedekt ze met deze prikkende haren om ze te beschermen. Als de larven op het einde van de zomer uitkomen, weven deze dagrupsen een gezamenlijk nest waar ze bij slecht weer in schuilen en waar ze de winter doorbrengen.
De rupsen eten zo goed als niets meer tot in mei, dan verslinden zij jonge loofbomen tot ze tegen eind juni hun maturiteit hebben bereikt.
Soms woekeren deze rupsen in indrukwekkende aantallen. Die jaren kan de schade aan de bomen zo erg zijn dat de vruchten zich niet kunnen ontwikkelen. |
|
|
|
|
Wees op uw hoede voor deze felgekleurde, behaarde rupsen. Zij kunnen enorm veel jeuk veroorzaken!
|
|

|
Klimop. |
|
Op de rechteroever van de beek, aan de overkant dus, zijn de bodem en boomstammen bedekt met een plant met groen blijvende bladeren. Het is klimop, Hedera helix. Deze klimplant heeft twee soorten bladeren: die op de bloemdragende takken zijn heel en ovaal, die op de steriele takken zijn gelobd. Dat fenomeen heet heterofylie.
|
|
|
|
|
|
De “rampioûle” (ramper = kruipen) werd vroeger vaak onderaan muren geplant die veel blootstelling hadden aan regen. De plant groeit erlangs en vormt een onverwoestbaar beschermingsschild. Als een klimop aan een muur hangt, is het best die er niet af te halen. Hij is stevig verankerd en het zou kunnen dat de voegen worden meegetrokken.
Deze verankeringen zijn geen wortels: zij dienen niet om water en minerale zouten te putten. Hun rol is ervoor te zorgen dat de klimplant zich kan vastzetten en… kan klimmen! Klimop wordt soms boomveil genoemd maar is dus toch geen parasiet.
Het is een giftige, geneeskrachtige plant die met de nodige voorzorgen gebruikt kan worden. De bladeren dienden ook om slingers mee te maken, om paaseieren te schilderen, likdoorns te verzorgen of nog cellulitis te bestrijden!
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|