Luscircuit 6
Wandelpaal nr 9. De haagdoorn.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

Haagdoorn.

Bij ons vindt men vooral twee soorten doornhaag: de eenstijlige meidoorn, Crataegus monogyna, en de tweestijlige meidoorn, Crataegus laevigata. De bladeren van de eenstijlige meidoorn zijn dieper uitgekerfd dan die van de tweestijlige meidoorn maar beide kunnen verbasteren.

 

Meidoorn is een geneeskrachtige plant die het hart stimuleert, de bloeddruk verlaagt en krampen kalmeert. De vruchten heten haagappels, ze zijn bloemig en hebben weinig smaak. Vroeger werden haagappels gemalen en deze brij werd zonder pitten aan het bloem toegevoegd om koeken te maken. Doornhagen zijn zeer gegeerd door een groot aantal dieren, met name vogels die erin nestelen en zich ervan voeden. Ze zijn echter het slachtoffer geworden van de graasweiden die toenemen en van bacterievuur, een ziekte veroorzaakt door de bacterie Erwinia amylovora, en zijn dus in heel wat streken uit het landschap verdwenen. In deze streek zijn gelukkig nog heel wat weiden door meidoorn versiert. Kinderen aten vroeger heel graag de jonge blaadjes op die een beetje naar noten smaken. Zij werden “lu pan dè bon dju” genoemd, Gods brood. Boeren deden in de winter haagappels bij het eten van hun vee om diarree te bestrijden.

 

Sommige vogels houden van wallenlandschappen, landschappen die doorkruist zijn door bosjes en hagen. Bijvoorbeeld de groenling, Carduelis chloris, een zaadeter die in de winter vaak bij voederbakjes te zien is. In de zomer pikt hij zaden van kruiskruid en grasachtige planten. Hij gaat echter nooit ver weg van de beschermende bomen en struiken. Het vrouwtje maakt het nest alleen en broedt ook alleen, maar het mannetje zorgt voor haar bevoorrading en die van de kleintjes als de eitjes zijn uitgekomen. De jongen krijgen in het begin vooral insecten te eten, zaden worden geleidelijk aan hun hoofdmenu. De familiebanden blijven onder groenlingen soms weken duren.

 

De kneu, Carduelis cannabina, is een kleine, zaadetende zangvogel die beperkt is tot open omgevingen met hagen en struikgebieden. In de herfst en in de lente kan de kneu soms in grote troepen te zien zijn op geploegde gronden. In de lente vallen de troepen uiteen en zondert elk koppel zich af op een klein grondgebied om te nestelen. Het mannetje kan enorm melodieus tsjilpen en bootst vaak de zang van andere vogels na.

 

    Een gevarieerde haag biedt een onophoudelijk spektakel. Plant hulst, haagdoorn, balroos en mispelaar als u plaats hebt, u zult er geen spijt van hebben!

Enkele vogels.

  

De geelgors, Emberiza citrinella, verblijft ook veel in wallenlandschappen en bouwt zijn nest in de lage takken van dichte hagen of struiken. De “djâdrène” (plaatselijke naam) is een zaadeter en verorbert heel wat graan, doorgaans door het van de grond te pikken. In de zomer eet hij ook insecten. Het vrouwtje broedt alleen. Als ze op haar nest wordt betrapt, springt zij er op het laatste ogenblik vanaf, begint te rollen en te fladderen als een gekwetste vogel, wankelt een paar meter weg en dan… vliegt ze plots op. Ze probeert de indringer weg te lokken van het nest met wat specialisten een “parade van de gebroken vleugel” noemen.

 

In haagdoorn vindt men ook vaak heggenwikke, Vicia sepium, en vogelwikke, Vicia cracca. De bloemen van deze laatste staan dichter bijeen (15 tot 20) en zijn meer uitgesproken en donkerder paars. Beide hebben bovenaan het blad een hechtrank waarmee ze kunnen klimmen.

 

Wikke behoort tot dezelfde familie als erwten, de peulvruchten (fabaceae). Ze hebben heel typische bloemen. De bilaterale bloemkroon heeft 5 bloembladeren: de standaard, het bovenste bloemblad, is breed en staat vaak rechtop. De vleugels zijn de laterale bloembladeren. De kiel wordt gevormd door twee samengegroeide onderbladeren. De vrucht van fabaceae is een dop. Klaver, Trifolium sp., behoort ook tot de peulvruchten en heeft een soortgelijke bloemkroon. Alleen staan bij klaver de bloemen in dichte, afgeronde trosjes. Het is dus niet één bloem, maar een gedrongen bloeiwijze met vele, kleine bloemen. Als u een van de bloemen van dichtbij bekijkt, dan ziet u opnieuw standaard, vleugels en kiel. Een andere typische kenmerk van peulvruchten zijn hun wortels: zij hebben vaak knoesten waar bacteriën in leven die stikstof kunnen vastzetten en zo de grond verrijken. Daarom worden rupsklaver en klaver veel gebruikt bij wisselbouw.

 

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >