|
Met takken en bladeren maakt de zeug een nest op de grond, ze bedekt het met boomtakken. In dit “leger” zal ze 3 tot 8 frislingen (everjongen) werpen, in maart-april, na een dracht van drie maanden, drie weken en drie dagen, net zoals onze tamme varkens. In sommige jaren, als de voedingsbronnen overvloedig zijn, kunnen de wijfjes een tweede dracht doen. Soms kunnen jonge zeugjes zich na zes maanden al voortplanten.
De zeugen leven met hun frislingen in troepen. Deze verliezen voor hun zesde maand hun strepen en worden dan “bêtes rousses” (rosse dieren) genoemd. Vanaf 1 jaar worden ze “bêtes de compagnie” (gezelschapsdieren) genoemd aangezien ze in troepen leven. Het is pas op latere leeftijd dat ze zich in eenzaamheid terugtrekken.
Hoewel het everzwijn in principe een dagdier is, wordt hij uit angst voor de mens meer en meer een nachtdier.
|