Een semi-natuurlijk landschap. |
De droge heide is als landschap het resultaat van onze oude landbouw- en herderspraktijken. Zonder beheer zou ze snel weer evolueren tot bos. Hoe herkent men de habitat “droge heide”?
Wel, het is… heide! Dus zijn er weinig of geen bomen. De meest kenmerkende planten zijn wel struiken uit de familie van de heideachtigen: blauwe bosbessen, rijsbessen, vossebessen en struikheide. We proberen ze even te herkennen, ze groeien vlak naast de wandelpaal.
|
|
|
|
De struikheide, Calluna vulgaris, wordt ook gewoon heide genoemd en heeft zeer kleine, tegenoverstaande en winterharde bladeren, samen geduwd op 4 rijen. Vaak wordt deze plant tot 50 cm hoog. De bloemen verschijnen in augustus en zijn roze.
|

|
De vossebes of rode bosbes, Vaccinium vitis-idaea, is duidelijk kleiner. De hele bladeren blijven groen, ze zijn taai en mooi blinkend groen op de bovenkant. Ze staan in trossen. De rijpe vruchten zijn felrood.
|
|
|
|
De blauwe bosbes, Vaccinium myrtillus, is ongeveer even groot als de struikheide. De stelen zijn rechthoekig en groen. De bladeren vallen af in de winter en zijn felgroen. De bloemen staan vaak alleen of per paar, zijn groenwit en geven een zwarte, blauwachtige bes met rood vruchtvlees en een zure smaak.
|

|
De rijsbes of moerasbes, Vaccinium uliginosum, is groter met bruine of grijsachtige takken. De bladeren vallen af in de winter, zijn blauwgroen, vooral op de onderkant. De bloemen groeien per 4 of 5 en zijn wit of roze. De vrucht is blauwer dan die van de blauwe bosbes, heeft wit vruchtvlees en geen smaak.
|
|
|
|
Vossebessen en rijsbessen zijn noordelijke bergsoorten, ze groeien dus vooral in de koude gebieden van het noordelijk halfrond of in de bergen. In België vindt men de rijsbes trouwens enkel in de hoge Ardennen, en dan meestal enkel nog boven een hoogte van 500m.
|
|
|
|
Men moet de planten van de droge heide kunnen herkennen als men in de venen wandelt. Het helpt natte voeten te voorkomen!
|
|

|
Bewoners van de heide. |
|
Voor u vormen de vier planten die we hebben besproken grote struikvlakten. Deze droge heide groeit, zoals de naam het zegt, op de drogere stukken bodem van de venen. Iets meer naar links, als u tenminste voor de wandelpaal Natura 2000 staat, ziet u een zone waar deze planten niet groeien. Dat is een veengebied dat duidelijk vochtiger is. Dat soort veengrond kan men best vermijden. We vertellen u later waarom.
|
|
|
|

|
|
Wie habitat zegt, zegt ook bewoners. Op de droge heide leven kleine knaagdieren, zoals de aardmuis, de bosmuis en de grote bosmuis, en hun roofvijanden: hermelijnen, wezels, bunzingen en vossen. Ook heel wat vogels vinden hier “kost en inwoning”: de tuinfluiter, de heggenmus, de fitis, de graspieper en de roodborsttapuit, onder meer…
|
|
|
|
Probeert u verder in de wandeling de stukken droge heide te vinden aan de hand van moerasbes-, vossebes- en struikheidestruiken. U volgt een aangelegd wandelpad, een passerelle in hout, en komt bij een aantal didactische borden die een aantal kenmerken van het landschap uitleggen. Kort na de lithals (op één van de borden vindt u uitleg over deze formatie die, tot voor kort, een “pals” werd genoemd), vindt u aan uw linkerkant een zeer natte venenzone. In juli kunt u daar een prachtige gele bloem bewonderen: de beenbreek.
|

|
|
|

|
De beenbreek, Narthecium ossifragum, behoort tot de familie van de lelieachtigen. De streekbewoners moesten echt geen botanisten zijn om de gelijkenis te zien tussen deze bloem en de rest van de familie. De bijnaam “lis dès fagnes” (“veenlelie”) getuigt hiervan. De aanwezigheid van deze plant vertelt ook iets over de bodem: zij duidt op moerasachtige gebieden, “d’one poûrie fagne” in de streektaal. Inderdaad, beenbreek groeit op waterverzadigde plaatsen: lage veenmoerassen of venen vol water, kwellen…
De naam van deze soort lijkt te wijzen op het feit dat het eten van deze plant de beenderen verzwakt. Hij wijst echter gewoon op het risico dat men loopt als men de moerassen waar zij groeit door wil komen.
|
|
|
|