Luscircuit 11
Wandelpaal nr. 6 : Het vliegeniersmonument.

Onthaal wandelingenVirtueel bezoek 360°Géografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

De bommenwerper.

Het was in 1944 dat een bommenwerper van de Royal Air Force op deze plaats is neergestort. De zeven bemanningsleden kwamen allen om het leven. De vijver vlak naast het monument werd gemaakt door de inslag van het viermotorige vliegtuig. De kleiachtige ondergrond weerhoudt het regenwater op sommige plaatsen zodat het niet kan doorsijpelen. Een gewone kuil zit hier snel vol water.

 

De dramatische gebeurtenis van de bommenwerper is helaas geen alleenstaand feit op het plateau van de venen. Er staan hier dan ook heel wat kruisen ter nagedachtenis aan de overledenen. Zij zijn niet allemaal opgedragen aan koene strijders. Sommige verwijzen ook naar mysterieuze verdwijningen of drama’s zoals het beruchte kruis van de verloofden. De venen werden beschouwd als een ongastvrije plaats, een gevaarlijke vlakte, onaangenaam om door te moeten. De sneeuwstormen zijn er erg bar. De mist erg dicht. En de onweren afschrikwekkend. Er is geen schuilplaats in de venen. De natuur behoudt er al haar rechten. Zo werd in 1706 Laurent Jean Laurent dood gevonden in de venen van Malchamps. Zijn verwondingen leken te wijzen op een blikseminslag! Tegenwoordig worden de paden aangelegd en onderhouden door medewerkers van de Division Nature et Fôrets. Dankzij de moderne technologie is de mens niet langer geïsoleerd en verlaten. Voorzichtigheid is hoe dan ook aangeraden.

 

De vijver is een aparte habitat. Aquatische ecosystemen herbergen een totaal andere fauna en flora dan landecosystemen, dat spreekt voor zich. Ze zijn enkel geschikt voor dieren die onder water kunnen leven. En de flora, die bestaat voornamelijk uit algen in het water en riet op de oevers.

 

De schaatsenrijder is een subaquatische waterwants (orde van de Hemiptera): de waterafstotende haren zijn een aanpassing aan het leven op het wateroppervlak. Bekijk hem goed, dit is wat u zult kunnen zien :

 

Met een beetje geduld zult u waarschijnlijk een waterinsect op het oppervlak van de vijver zien verschijnen. De geelgerande watertor bijvoorbeeld heeft een uitwendige ademhaling (tegenover kieuwademhaling), zoals alle insecten, en moet geregeld aan het oppervlak komen bijtanken :


· De schaatsenrijder heeft zes poten, vier daarvan zijn erg lang en gebruikt hij om zich te verplaatsen. U ziet aan de kleine kuiltjes in het wateroppervlak dat de poten werkelijk op het water rusten. Hij gebruikt ze een beetje als een roeispaan. Een grote stoot met de middenpoten en hop, hij sprint vooruit.
· De twee voorpoten zijn kort: zij dienen om prooien te vangen. Als carnivoor voedt hij zich met ongewervelde dieren die in het water vallen. In onze streken bestaan heel wat soorten schaatsenrijders en binnen één soort bestaan er nog verschillende vormen.

 

 

onder zijn vleugels is zijn onderlijf erg donzig zodat hij lucht kan opvangen. Als hij genoeg lucht heeft, duikt hij opnieuw onder om de jacht voort te zetten. Hij is een geducht roofdier (dikkopjes, insectenlarven, weekdieren). Hij kan vliegen maar zal dit enkel doen als hij een andere watermassa moet vinden. Watertorren bestaan in meerdere soorten en behoren tot de orde van coleopterum (schildvleugelachtige).

 

Probeert u voor te stellen hoe dit landschap er nog maar 200 jaar geleden uitzag: geen aangelegde paden, alleen smalle padjes en de venen, zo ver het oog kan reiken.

De wezel.

Habitat, ecosysteem… de aangelegde paden waar u op wandelt zijn ook een mini-ecosysteem binnen de venen. Heel wat dieren schuilen onder deze planken voor de wind en de regen en profiteren van de zonnewarmte die in het hout is opgeslagen…

Met zijn eerder stompe snuit en korte ronde oren heeft de “Petite Belle”, of wezel, zijn plaatselijke naam goed verdiend. Zijn vacht is bruin bovenaan, wit vanonder en wordt lichter in de winter. Hij wordt vaak verward met de hermelijn maar met de staart, die bij deze laatste eindigt met een zwarte kwast, kan men deze twee nauw verwante soorten uit elkaar houden.
Met zijn lange, smalle, bijna cilindrische, gespierde lichaam en zijn smalle lende kan de wezel door de gangen van knaagdieren kruipen om te jagen. Hij heeft slechts een doorsnede van een muntstuk van 2 euro nodig om erdoor te kunnen! Voegt daar nog een stel tanden aan toe met goed ontwikkelde hoektanden en twee speciale juktanden, de scheurkiezen, en u krijgt een beeld van een ongeëvenaard roofdier.

 

De wezel, Mustela nivalis, is een specialist in het jagen op knaagdieren: muizen, bosmuizen en vooral aardmuizen vormen de hoofdmoot van zijn prooien. Hij vult dit dieet aan met vogels, kikvorsachtigen of kleine insecteneters zoals mollen en spitsmuizen. Samen met de hermelijn is de wezel bij ons de marterachtige die het meest carnivoor is. Zijn dieet kan tot 99% uit knaagdieren bestaan.

De schuilplaats van de wezel bevindt zich doorgaans ondergronds en is binnenin vaak bedekt met vachtharen en pluimen van zijn prooien. Daar werpt het vrouwtje in de lente, in functie van het beschikbare voedsel, 3 tot 9 jongen na een dracht van 35 dagen. Uitzonderlijk voor carnivoren is dat de wezel een tweede dracht kan hebben als er dat jaar veel microzoogdieren zijn. Aangezien de vrouwtjes bovendien na 4 maanden al geslachtsrijp zijn, kunnen zij op het einde van de zomer, in hun eerste geboortejaar, kleintjes werpen. Wezels hebben dus een zeer hoog voortplantingsvermogen. De jongen blijven bij hun moeder tot in de zomer en bij het naderen van de winter gaat elk solitair op pad op om de koude en de honger alleen te trotseren. Ook al hebben ze een levensverwachting van 7 tot 8 jaar, toch overleven heel wat jongere wezels (75 tot 90%) het eerste jaar niet en vallen ten prooi aan parasieten, aan de honger in de winter of aan vossen, wilde katten, marters, steenmarters of dag- en nachtroofvogels. En dit alles ondanks de afstotende afscheiding van hun anale klieren.

 

Onthaal wandelingenVirtueel bezoek 360°Géografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >