|
De wezel, Mustela nivalis, is een specialist in het jagen op knaagdieren: muizen, bosmuizen en vooral aardmuizen vormen de hoofdmoot van zijn prooien. Hij vult dit dieet aan met vogels, kikvorsachtigen of kleine insecteneters zoals mollen en spitsmuizen.
Samen met de hermelijn is de wezel bij ons de marterachtige die het meest carnivoor is. Zijn dieet kan tot 99% uit knaagdieren bestaan.
De schuilplaats van de wezel bevindt zich doorgaans ondergronds en is binnenin vaak bedekt met vachtharen en pluimen van zijn prooien. Daar werpt het vrouwtje in de lente, in functie van het beschikbare voedsel, 3 tot 9 jongen na een dracht van 35 dagen. Uitzonderlijk voor carnivoren is dat de wezel een tweede dracht kan hebben als er dat jaar veel microzoogdieren zijn. Aangezien de vrouwtjes bovendien na 4 maanden al geslachtsrijp zijn, kunnen zij op het einde van de zomer, in hun eerste geboortejaar, kleintjes werpen. Wezels hebben dus een zeer hoog voortplantingsvermogen. De jongen blijven bij hun moeder tot in de zomer en bij het naderen van de winter gaat elk solitair op pad op om de koude en de honger alleen te trotseren. Ook al hebben ze een levensverwachting van 7 tot 8 jaar, toch overleven heel wat jongere wezels (75 tot 90%) het eerste jaar niet en vallen ten prooi aan parasieten, aan de honger in de winter of aan vossen, wilde katten, marters, steenmarters of dag- en nachtroofvogels. En dit alles ondanks de afstotende afscheiding van hun anale klieren.
|