Luscircuit 11
Wandelpaal nr. 7 : De veenheide.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

De gewone dophei.

Dit is opnieuw een habitat Natura 2000, het eerste van het veengebied. Er komen er nog. De venen zijn een vochtige, zelfs waterverzadigde omgeving, meestal arm aan voedingselementen. Turf is samengesteld uit gering ontbonden plantaardige afvalstoffen (veenmos, wollegras): dit fenomeen waarbij organisch materiaal zich ophoopt is te wijten aan de verstikking veroorzaakt door het teveel aan water en aan het koude en/of vochtige klimaat (beperkte verdamping).

 


 

 

Een veenheide is dus een heide… op veen. De gewone dophei, Erica tetralix, is een mooie plant die kenmerkend is voor deze habitat. De “neûre brouwire”, zoals ze plaatselijk heet, heeft trossen met prachtige bloemen, meestal roze, die als klokjes op het uiteinde van de steel hangen. Van op een afstand doet deze plant, buiten de bloeitijd, de heide er erg donker uitzien, vandaar de Waalse naam “bruyère noire” of “zwarte heide”. Deze halfheester is zeer klein en goed aangepast aan zijn omgeving. Hij groeit heel langzaam, in verhouding tot de arme bodem waarop hij gedijt. Zijn bladeren zijn heel klein en blijven groen: hierdoor kan hij energie besparen en het verlies aan water beperken. Deze plant leeft namelijk naast het veenmos, een kleine mossoort die turf aanmaakt en die in staat is het beschikbare water volledig op te eisen.

Opvallend is vooral dat dophei, zoals andere heideachtige planten, in symbiose leeft met paddenstoel die een zwamwortel heeft waarvan het mycelium (de draden die voor paddenstoelen wortels vertegenwoordigen) zich over meerdere centimeters uitstrekt. Zo kan deze het water beter opslorpen en de voedingsstoffen, zoals stikstof of fosfaationen, verteren. De paddenstoel levert dus het water en de voeding die de plant nodig heeft en in ruil geeft de plant hem de nodige “glucose”.

 

Op de veenheide leven heel wal ongewervelde dieren. De viervlekwielwebspin, Araneus quadratus, spint heel grote webben. De rups van het groentje, Callophrys rubi, ontwikkeld zich op meerdere van deze planten (waaronder doornstruiken!) maar houdt in deze streken vooral van de dopheide. Deze prachtige vlinder kan men herkennen aan zijn ogen die met zuiver wit omzoomd zijn. Het groentje woont op de heide, in velden en struikgewas, hij verdedigt zijn territorium doeltreffend vanuit een struik. In Frankrijk vindt men het groentje tot op een hoogte van 2100m.

 

Gewone dophei is in Wallonië een beschermde plantsoort, net zoals de andere planten die op de venen groeien. We komen er nog op terug.

Het korhoen

Er is een vogel die in de venen leeft: het korhoen, of “petit coq de bruyère” (kleine heidehaan), Tetrao tetrix. Zijn levenswijze vergt een grote diversiteit aan habitatten die verzameld zijn in het venenmilieu. Zo heeft hij venen nodig met lage begroeiing voor de voortplanting maar ook droge heide om te nestelen…

 

Buiten de paringstijd is het korhoen sociaal en leeft in groepen, de hanen vaak apart van de hennen. Op het einde van de winter, als de lente begint, komt er leven in de venen: er is gefluit en gekir te horen nog voor zonsopgang. Het spektakel kan beginnen…
de dag is nog niet aangebroken. De hanen komen één voor één naar de paradearena die jaar in jaar uit dezelfde blijft. Op deze open plek met lage begroeiing begint elk mannetje een klein territorium met duidelijke grenzen af te bakenen. En daar zijn ze dan, op het einde van de nacht, in al hun pracht, met opengesperde staart, hangende vleugels en opgeblazen nekpluimen, over en weer lopend, draaiend, springend zonder te stoppen met kirren of fluiten. Hun doel? Ze willen hun seksuele stimuli tonen, de witte vlekken op hun vederdracht, en hun rode lellen om hun plaats te behouden op de “balz” (ontmoetingsplaats) tegenover hun tegenstanders en een vrouwtje te verleiden.
Na enig observeren aan de rand van de open plek, loopt het vrouwtje dan door de arena. Haar wordt het hof gemaakt, zonder dat ze wordt aangevallen. Ze kiest dan de haan met wie ze wil paren, meestal een “ancien”, een ervaren haan met “een hoge rang” en die een territorium handhaaft in het midden van het paradeplein.
Stilaan verminderen de parades en het gezang van frequentie, de hanen worden discreter en laten aan de vrouwtjes de zorgen van het nageslacht over.
Het nest is een kuiltje dat onder de heideachtige planten wordt opengekrabd en bekleed wordt met droog gras, sprieten en een paar rietpluimen. Daar legt het vrouwtje doorgaans 6 tot 8 okergele en bruingespikkelde eieren die ze gedurende ongeveer 4 weken zal broeden. De kuikens kunnen na twee dagen al insecten van de planten pikken. Hun dieet bestaat de eerste twee weken trouwens hoofdzakelijk uit insecten, met name miereneieren. Door hevige regenbuien ligt het sterftecijfer bij de kuikens in deze eerste weken zeer hoog. Na 10 dagen kunnen ze vliegen, na 3 weken kunnen ze roesten. Na 4 weken zijn ze onafhankelijk. Toch blijven ze tot de herfst bij hun moeder die, zoals alle hoenderachtige moeders, haar jongen van de beste zorgen voorziet.

 

Photo R. Herman Hautes Fagnes Avril 1972

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >