Luscircuit 11
Wandelpaal nr. 8. De Vecquée.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

Een zeer oud pad.

De naam van dit venenpad is afkomstig van het oude Waalse “Vèke”, wat “Evêque” of bisschop betekent, omdat het de grens vormde tussen het bisdom van Luik en de gronden behorend tot de abdij van Stavelot. Maar lang daarvoor was deze kamlijn al een grensgebied tussen het koninklijke bos van Childeric II, alias Clodius de Meroving, en de concessie die werd afgestaan aan Remaclus – de toekomstige Remaclus aan wie de kerk van Spa is gewijd en wiens afdruk de fontein van de Sauvenière siert – in 670 om de eerste abt van Stavelot een plaats te geven waar hij immuniteit kon genieten.

 

Dit pad loopt door de venen en steeds afwisselend lang droge heiden en veenheiden. Een andere plant die in de venen groeit, is het eenarig wollegras, Eriophorum vaginatum. Deze plant valt vooral in de lente op, in april-mei, wanneer ze de wind laat spelen met haar prachtige, zijdeachtige en spierwitte pluimen. Eigenlijk zijn dat de vruchten van deze cypergrassoort, de bloemen zijn namelijk erg discreet. Als u in de venen wandelt tijdens de vruchtperiode van het eenarig wollegras, zult u zeker de witte kwasten van deze plant niet over het hoofd kunnen zien.

 

Het korhoen is voornamelijk een planteneter en verbruikt enorm veel heideplanten, vooral de jonge scheuten en vruchten van de blauwe bosbes, maar ook van de struikheide, de vossebes, de lavendelheide of de veenbes. In de lente maken ook de bloemtrossen van het eenarig wollegras een groot deel uit van zijn dieet (RENARD 1988a).

 

Maar… is dit werkelijk een plant als alle andere? Sommigen hier in de streek beweren dat piepkleine wezens zich achter de pluimen kunnen verbergen voor de mens. Deze wezens hebben een nauwe band met het element water en hebben als opdracht de venen proper te houden, te waken over de gezondheid van de mossen en bessenstruiken op de heide. Hun meester, de Geest van de Venen, is zeer machtig en liefdadig. Hij draagt een lange baard, vertakt als de wortels van een boom. Enkel de Venenheks durft zich tegen hem te verzetten.

En deze lelijke, kwaadaardige vrouw heerst over talrijke piepkleine, vrouwelijke wezens die, als ze samenkomen, de mist veroorzaken.

 

Ik hoop voor u dat de Venenheks vandaag geen aanval heeft gepland tegen de Geest van de Venen…

Een arme bodem.

Om te overleven in een omgeving die zo arm is, hebben sommige soorten zich zeer bijzonder aangepast. Zo bijvoorbeeld de langpootmug, vaak steekmug genaamd, die ons zo onhandig lijkt. Tijdens het wandelen hebt u kunnen zien dat venenzones waar geen bessen of struikheide groeit als het ware eilandjes vormen in de droge heide. Sommige langpootmuggen zijn “tyrphobiont”: ze leven alleen in de venen. De vrouwtjes van deze soort kunnen niet meer vliegen: ofwel hebben ze normale vleugels maar geen borstspieren, ofwel hebben ze verschrompelde vleugels.
Om zich voort te planten kruipen ze omhoog langs de lange stelen van de grasachtige planten. Zij verspreiden feromonen om de mannetjes te lokken en gaan na het paren weer naar beneden om hun eieren te leggen in de kleine gebieden waar hun nageslacht kan gedijen. Zo vermijden ze een te hoog energieverbruik en ook het risico om te vliegen en als zware muggensoort ver van hun beperkte habitat te worden meegevoerd.
De plaats die vrijkomt door het gebrek aan borstspieren om vleugels te bewegen, word vernuftig ingenomen door een verlenging van de eierstokken die doorlopen tot in de borstkas. Al deze vrouwtjes hebben een uitgezet achterlijf waarmee ze talrijke eieren produceren.
Als u deze diptera (tweevleugelig) zie paren, kunt u de test even doen: neem ze voorzichtig op door uw hand eronder te houden. De ene, het mannetje, zal zwaar wegvliegen. Het vrouwtje zal echter op uw hand blijven zitten daar ze niet in staat is te vluchten!

 

Wie insecten zegt, zegt ook insecteneters… Dit is er een die goed vertegenwoordigd is in de venen en die levensbelangrijke aanpassingen vertoond: de levendbarende hagedis, Lacerta ovovivipare.

· Zoals vooral de Latijnse naam het zegt, is deze hagedis eierlevendbarend. Dit betekent dat de bevruchte eieren zich in de moederuterus ontwikkelen, beschermd tegen de kou, daar de meeste reptielen hun eieren leggen en gewoon een beetje ingraven.
· Als koudbloedig dieren hebben reptielen een minimum aan lichaamswarmte nodig om te kunnen jagen en voortplanten. De levendbarende hagedis heeft een doeltreffend spiervermogen, ook bij lage temperaturen.

 

· Om zich op te warmen, zetten hagedissen zich in de zon. Jonge levendbarende hagedissen hebben hier op het hoge plateau vaak een zeer donkere kleur die de opname van zonnewarmte bevordert.

· Zij kunnen in hun winterslaap temperaturen overleven die ver onder 0° C gaan. In het bloed van levendbarende hagedissen heeft men “antivries”-moleculen ontdekt. (C. Grenot et Y. Voituron 1999)

Kenmerkend voor de levendbarende hagedis is de autotomie: als hij bedreigd wordt, laat hij zijn staart achter die kronkelend de aandacht van het roofdier trekt terwijl de hagedis wegvlucht. Belangrijk te weten is wel dat het spel om de hagedis zijn staart te doen verliezen, vooral voor de winter niet zonder gevolgen blijft voor het dier zelf, ook al groeit de staart terug. In zijn staart heeft hij namelijk een vetreserve die hij nodig heeft om zijn lange winterslaap te overleven.

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >