Luscircuit 11
Wandelpaal nr. 9. De hoogactieve venen.

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

Een prioritaire habitat.

Hier ziet u een andere habitat die eigen is aan de veengebieden. Het is een hoogactieve veen, met andere woorden een veen waarin de turflaag zich verder ophoopt. Veenmossen maken venen, ze groeien naar boven toe en hun onderste deel sterft af zonder echter tot ontbinding te komen in dit zure en waterverzadigde milieu. Als de waterbalans negatief wordt, zullen ontbindingselementen (schimmels en bacteriën) actiever worden door de toename aan zuurstof. Om zich te kunnen ontwikkelen, heeft een veen dus een watertoevoer nodig (regen, sneeuw of mist in dit geval) die gelijk of iets hoger ligt dan het verlies aan water (door verdamping, transpiratie en afvloeiing).

Hoogactieve venen zijn zeldzaam geworden daar de mens de waterkringloop in het verleden heeft veranderd door grote stukken grond droog te leggen. Binnen Natura 2000 zijn het dus prioritaire habitatten, wat inhoudt dat men niet enkel voor het behoud moet zorgen maar eveneens herstellende maatregelen moet nemen indien mogelijk.

 

Planten die kenmerkend zijn voor hoogactieve venen zijn uiteraard het veenmos, maar ook verschillende soorten wollegras, plaatselijk “tchètous” genaamd. Hier ziet u de veenpluis, Eriophorum angustifolium Honck, syn.: Eriophorum polystachion L., die in tegenstelling tot het eenarig wollegras meerdere aren heeft en bladeren met een rode punt. Dit wollegras verkiest zeer vochtige, zelfs waterverzadigde plaatsen.

 

Verder zijn er twee halfheesters kenmerkend voor hoogactieve venen: de kleine veenbes, Vaccinium oxycoccos, en de lavendelhei, Andromeda polifolia. Het zijn beide heideachtige planten, met de aanpassingen eigen aan deze plantensoort: de endomycorrhiza waarvan sprake bij de gewone dophei, een zeer trage groei om energie te besparen in deze omgeving arm aan voedingsstoffen en bladeren met een bijzondere structuur. De bladeren van deze plant zijn inderdaad blijvend, klein en met een omgerolde rand om de huidmondjes, kleine openingen op de onderkant van het blad, te beschermen tegen een te hoge transpiratie.

 

En ten slotte leeft er hier ook een zeer bijzondere en zeldzame soort: de zonnedauw, Drosera rotundifolia. Deze kleine plant die de blote turf bedekt met kransjes roodachtige bladeren, is een voorbeeld van aanpassing op zich: De bladeren zijn voorzien van klierachtige haartjes om een stroperige vloeistof af te scheiden en dauwdruppeltjes te imiteren. Insecten die zich laten beetnemen door deze truc, plakken vast en kunnen niet meer wegvliegen. Het “valstrikblad” rolt zich traag op rond de prooi die verteerd wordt door deze vleesetende plant. Zo compenseert de plant het gebrek aan voedingsstoffen in de bodem. Deze eigenschap heeft de plant een buitengewone reputatie opgeleverd. Zo dachten sommigen dat het een afrodisiacum is. De mensen van de streek waren ervan overtuigd dat de “yèbe dè torê” stieren bronstig maakt. Wat vaststaat, is dat zonnedauw een antibiotische stof bevat: grafiet. Maar opgelet, het is ook een beschermde plantensoort.

 

Zet u even neer op het wandelpad en kijkt naar de libellen die op volle snelheid vooruit vliegen, dan plots en abrupt stoppen en ter plaatse blijven vliegen, rechtsomkeer maken en met indrukwekkende behendigheid weer wegvliegen.

Waterjuffers.

Dit ven is dus een zeer vochtige habitat. Het is dus niet verbazend dat men onder de dierenbevolking hier ook een aantal libellen en waterjuffers aantreft.

 

Glazenmakers zijn grote libellen die snel en krachtig kunnen vliegen. De volwassen glazenmakers verplaatsen zich heel veel en sommige soorten kunnen ware migraties houden over meerdere honderden kilometers. Vaak ziet men glazenmakers ver van een waterpunt, de voortplanting gebeurt echter uitsluitend in een meeromgeving. Het vrouwtje legt haar eieren op planten, in het slik of op plantaardige afvalstoffen. De larven zijn aquatisch en ontwikkelen zich zeer traag over meerdere jaren tijd. Hier kunt u de blauwe glazenmaker, Aschnea cyanea, bewonderen die talrijk aanwezig is. Of de venglazenmaker, Aschnea juncea, die meer gebonden is aan de venen.

 

De venwitsnuitlibel, Leucorrhinia dubia, is duidelijk kleiner dan de glazenmakers en is gemakkelijk te herkennen aan zijn witte masker. Het mannetjes is met rood getekend, het vrouwtje met geel. Deze libel is kenmerkend voor zuur water en is vaak aanwezig bij venen. Vlak na het paren, dat een half uur duurt, legt het vrouwtje al vliegend haar eieren terwijl zij met haar achterlijf over het water strijkt. De eitjes vallen naar de bodem en ontplooien zich op enkele weken tijd tot larven die er nog eens twee of drie jaar over doen voor ze aan hun laatste metamorfose beginnen.

 

De zwarte heidelibel, Sympetrum danae, is een heel klein libelletje en leeft in stilstaande wateren overwoekerd door vegetatie. De eitjes worden in de zomer gelegd maar komen pas de volgende lente uit. Daarna ontwikkelen de larven zich zeer snel, op twee maanden tijd. Het volwassen mannetje is vlak na zijn gedaanteverwisseling geel en zwart, hij wordt echter zwarter met de leeftijd. Het vrouwtje blijft geel met zwarte stukken die iets groter worden met de leeftijd. Deze libel landt vaak op de aangelegde wandelpaden.

 

 

Er leven hier ook heel wat juffers. Zij zijn beduidend fijner dan libellen. De vuurjuffer, Pyrrhosoma nymphula, is gemakkelijk te herkennen want ze is rood. Blauwe juffers zijn daarentegen moeilijker te onderscheiden volgens soort.

 

Onthaal wandelingenGéografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >