Luscircuit 11
Wandelpaal nr. 10 : De jeneverbesheide.

Onthaal wandelingenVirtueel bezoek 360°Géografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >

De jeneverbes.

Op een veenbodem wordt de bloemenstoet die eigen is aan deze heiden gekenmerkt door de jeneverbes, de eerder vermelde struikheide en de veenbies. Deze laatste is een grasachtige plant die zeer elegante pluimen vormt langs heel het wandelpad.

 

De jeneverbes, Juniperus communis, is in tegenstelling tot wat de Latijnse naam stelt, weinig vertegenwoordigd in België. De taxusboom en de jeneverbes zijn de twee enige inheemse harsachtige planten. Deze boom vindt men verbazend genoeg zowel op kalkhoudende als op zure bodem. Hij staat echter altijd op heiden of graslanden, omgevingen die het resultaat zijn van het grazen van de kuddes, omdat hij een open plaats nodig heeft om te kiemen en te groeien en beschermd wordt door doorns tegen de aanvallen van graseters.
Deze plant is weinig veeleisend maar groeit ook heel traag op deze veenbodem. Hier blijft het een struik daar hij elders groot genoeg wordt om boom te worden genoemd.

Het feit dat deze struik zo zeldzaam wordt in deze contreien, is voornamelijk te wijten aan de uitbreiding van de sparaanplantingen en aan het feit dat de oude landbouwpraktijken niet meer worden toegepast. Jeneverbessen waren erg gegeerd, voor zeer uiteenlopende toepassingen: het maken van “pékêt” (Waalse jenever), lokaal levenswater, het roken van de ham, voor het kruiden van zuurkool en verschillende terrines, het desinfecteren van doodskamers, het insmeren van sneden, voor revitaliserende kuren, voor het verzorgen van koeien met een verkoudheid…

De jeneverbessen hadden destijds een zodanig succes dat de prins-abten ze beschermden: het was verboden ze te plukken voor 15 augustus. Een ordonnantie van 1726 voorziet een boete van 5 gouden florijnen voor elke overtreder en beveelt de aanhouding en het afvoeren naar de gevangenis van het kasteel van Stavelot voor elke vreemdeling die de vruchtjes op dit grondgebied zou komen plukken!

 

De gewone jeneverbes heet in het Waals “Pèkèt”. De takken werden aan de deurstijl gehangen om voorbijgangers te tonen waar de drank te verkrijgen was.

Een bos met veel licht.

Achter u ligt een vrij open bos waar u net met het wandelpad door bent gelopen. Dat is een berkenbos op veengrond, nog een habitat uit de veengebieden. Dit soort bos komt op natuurlijke wijze tot stand op aangetaste venformaties. De plantenstoet bestaat hier uit zachte berken, Betula pubescens, geoorde wilgen, Salix aurita en vuilbomen (sporkehout), Frangula alnus, met een goed ontwikkelde kruid- en graslaag: pijpenstrootje, Molinia caeruleum, en bochtige smele, Deschampsia flexuosa. Dit bos heeft geen economische waarde maar is als zeldzame en overgebleven habitat van groot belang voor de biodiversiteit.

In de winter bedekt de sneeuwdeken de struiken op de droge heide, de veenheide en de venen. Dan zijn de katjes van de berken een redende voedingsbron voor het korhoen. Zijn gevarieerde dieet (zie vorige fiches) wordt aangevuld door scheuten van sparren of geoorde wilgen, door aren en zaden van zegge en door insecten, met name mieren en rupsen van de grote beervlinder.

De venen van Malchamps herbergen dus meerdere habitatten en elk daarvan vereist een geschikt beheer. De “Division Nature et Fôrets” is verantwoordelijk voor deze site en waakt erover elk milieu te handhaven met aangepaste acties: geregeld snoeien, om de zeven jaar, om te vermijden dat de heide weer door bomen wordt bevolkt; de hoogvenen moeten enkel bewaakt worden aangezien het aangelegde, houten pad vermijdt dat ze kapotgaan door vertrappeling; jonge sparzaailingen moeten worden verwijderd om te vermijden dat het berkenbos wordt overmeesterd. Een geschikt beheer is onontbeerlijk voor deze voortdurend evoluerende habitatten. Het voorbeeld van het korhoen bewijst dat de biodiversiteit ervan afhangt.

 

OHet is duidelijk dat de habitat van het korhoen vrij complex is. In het midden staat de arena, een plaats met een vrij gelijke grond en lage begroeiing, zonder moerasgebieden en goed open zodat ze van ver gezien kunnen worden, op ongeveer 400m dus van hars- of loofbossen. Het korhoen moet ook zeker niet gestoord worden.
Er moeten dus schuilplaatsen zijn in de buurt: struiken of heideperken. Het moet ook duidelijk de plaatsen kunnen zien waar voeding te vinden is en de hennen kunnen nestelen: grote vlakten met heideachtige planten. En ten slotte moet ook rekening worden gehouden met plaatsen om te overwinteren: lichte berkenbossen, plaatsen die naar het zuiden zijn gericht.
En dit alles vindt het korhoen op het Hoge Plateau.

 

Het korhoen is heel gevoelig voor storende factoren en heeft de rust nodig die heerst op de grote venvlakten.
En in de strenge winter helpt een goede sneeuwlaag, zoals die soms nog enkel op het Hoge Plateau voorkomt, als bescherming tegen de kou. Het korhoen maakt inderdaad gebruik van opgewaaide sneeuwhopen of laat zich vanaf een boomtak in de zachte sneeuw vallen om met zijn poten een horizontale gang te graven van 5 tot 10 cm onder het oppervlak. Dan draait hij op zichzelf en maakt zo een iglo om zich te beschermen tegen de wind en de koude en zo het verlies aan kostbare calorieën te beperken.

 

Onthaal wandelingenVirtueel bezoek 360°Géografische liggingAangeduide wandeling< Vorige wp.volgende wp. >