|

|
Luscircuit 11
Wandelpaal nr. 12 : Het eikenbos. |

|
Een Natura 2000 bos. |
|
Het zomereikenbos dat opgenomen is in Natura 2000 is het bos dat zich ontwikkeld op veenbodem, in de plaats van het berkenbos en dit van zodra de veenlaag dun genoeg wordt, of aan de rand van venen, op de zure, waterverzadigde bodem die niet geschikt is voor beukenbomen. Dit soort bos is nu beperkt tot een aantal eilandjes en hun behoud is binnen het venlandschap van cruciaal belang voor de diversiteit.
|
|
|
|

|
Het ene eikenbos is het andere niet. Dit bos heeft niets te maken met de eikenbossen die groeien op de hellingen van de plateaudalen, of in andere streken van Wallonië. Om deze habitat te herkennen, moet men dus de kenmerkende plantenverzameling kunnen identificeren :
|

|
|

|
· De bomen zijn zomereiken, Quercus robur, dit wil zeggen eiken die eikels maken aan het einde van een lange bloemsteel, zachte berken, lijsterbessen en vaak ook zwarte elzen.
· De struiken zijn vuilbomen en geoorde wilgen, Salix aurita, die zo worden genoemd door de twee kleine blaadjes, steunblaadjes, die onderaan de bladsteel groeien. |

|
|

|
· Nog een verdieping langer vindt men onder meer pijpenstrootje, zevenster, blauwe bosbessen en verschillende varens waaronder dubbelloof.
· De grond is bezaaid met mos: gewoon haarmos en veenmossen.
Ziezo! Nu weet u dus hoe u een “Berg-zomereikenbos met zevenster en pijpenstrootje” identificeren!
|

|
|
|
|
Photo Roger Herman.
|
De dieren die hier leven zijn niet dezelfde als op de open plaatsen in de heiden of venen. In deze veneiken-berkenbossen leeft een zeer discreet en weinig gekend zoogdier. Het is de hazelmuis, Muscardinus avellanarius, een prachtig knaagdiertje, ongeveer zo groot als een muis, met een dichte, oranjeachtige pels. Dit is de meest vastberaden winterslaper: hij begint zijn winterslaap soms al in oktober om pas in maart of april wakker te worden!
De hazelmuis is heel wil en komt nooit in huizen binnen.
|
Photo Roger Herman.
|
|
|
Dit op bomen levend zoogdiertje leeft in gemengde bossen met een goed ontwikkelde onderlaag.
|
|
|
|
De hazelmuis is zo discreet dat het moeilijk is de bevolking in te schatten. Het feit dat zijn habitat zo zeldzaam wordt, doet enkel het ergste vermoeden. Wandelaars, toon respect voor de gaten in oude bomen. Het zijn geen vuilbakken!
|
|

|
Grasmussen. |
|
Het bos waar u meteen door zal wandelen, loopt langs de venen van Malchamps. Het is een uiterst gevarieerd bos, zowal qua plantensoorten als qua structuur: bomen van verschillende grootte en leeftijden, behoud van dode bomen, goed ontwikkelde onderlaag, open plekken, stukken heiden… een waar plezier voor alle soorten natuurliefhebbers!
|
|
|
|
Onderweg kunt u misschien de vier soorten grasmussen horen en zien die in Wallonië leven. De Latijnse naam van de grasmus is Sylvia, ze leven in bossen en struikgewas. Het zijn boeiende vogels. Allereerst is er hun zang, een prachtige harmonie van afwisselend gefluit die de lente opfleurt. Deze zang komt van het mannetje en duidt op het begin van de paringstijd. Het mannetje maakt “ontwerp”-nesten en het vrouwtje kiest het nest dat haar het meest schikt. Samen maken ze het werk af, tot het een klein, fragiel mandje wordt, gemaakt met ineengevlochten stengels en haarwortels. Bij de grasmus wordt ijverig samengewerkt, wat niet voor alle mussen geldt. Integendeel zelfs, meestal levert het vrouwtje het meeste werk alleen.
Later, als de jongen zijn uitgekomen, waken de ouders, altijd alert. Als u een nest benadert, zult u de grasmus zien vallen, zich over de grond trekken met kleine kreetjes, soms met een hangende vleugel. Ze is duidelijk gewond en tracht met kleine sprongetjes weg te lopen… en plots, als zij u ver genoeg van het nest heeft gelokt, vliegt ze weer weg, in topvorm! Deze komedie was een middel om u van haar jongen af te leiden…
Alle grasmussen zijn insecteneters, hoewel ze hun dieet soms aanvullen met vruchten, en trekvogels.
|
|
|
|

|
De tuinfluiter, Sylvia borin, heeft een zeer discrete vederdos. Hij leeft in het kreupelhout, het struikgewas en aan de rand van het bos.
|
|
De braamsluiper, Sylvia curruca, lijkt op een grasmus maar dan kleiner en minder slank en zonder ros aan de vleugels. Hij houdt van doornstruiken en open, goedgelaagde bossen.
|

|
|
|
|
|

|
De zwartkop, Sylvia atricapilla, zoekt naar een combinatie tussen bomen en struikgewas. Het mannetje is makkelijk te herkennen aan zijn zwarte kalotje, bij het vrouwtje is het bruin.
|

|
|
|
|

|
De grasmus, Sylvia sylvia, is grijs met een rosse vleugelrand en een witte keel. Deze mus is het meest gebonden aan de venen, het is de enige die op een open plaats kan gedijen, op voorwaarde dat er hier en daar een wilg staat. Hij is ook te vinden in hagen, aan de rand van het bos, zolang er een goed ontwikkelde struiklaag is.
|

|
|
|
|
|